bingen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bingen

The word "bingen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bingen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bingend
Past participle - Verleden deelwoord: gebingd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbing
jijbingt
hijbingt
wijbingen
julliebingen
zijbingen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebingd
jijhebt gebingd
hijheeft gebingd
wijhebben gebingd
julliehebben gebingd
zijhebben gebingd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbingde
jijbingde
hijbingde
wijbingden
julliebingden
zijbingden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebingd
jijhad gebingd
hijhad gebingd
wijhadden gebingd
julliehadden gebingd
zijhadden gebingd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bingen
jijzult bingen
hijzal bingen
wijzullen bingen
julliezullen bingen
zijzullen bingen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebingd hebben
jijzult gebingd hebben
hijzal gebingd hebben
wijzullen gebingd hebben
julliezullen gebingd hebben
zijzullen gebingd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bingen
jijzou bingen
hijzou bingen
wijzouden bingen
julliezouden bingen
zijzouden bingen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebingd hebben
jijzou gebingd hebben
hijzou gebingd hebben
wijzouden gebingd hebben
julliezouden gebingd hebben
zijzouden gebingd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbing

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English binge. See: English 'binge'.

Additional Information