bezemen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bezemen

The word "bezemen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bezemen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bezemend
Past participle - Verleden deelwoord: bezeemd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbezeem
jijbezeemt
hijbezeemt
wijbezemen
julliebezemen
zijbezemen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bezeemd
jijhebt bezeemd
hijheeft bezeemd
wijhebben bezeemd
julliehebben bezeemd
zijhebben bezeemd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbezeemde
jijbezeemde
hijbezeemde
wijbezeemden
julliebezeemden
zijbezeemden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bezeemd
jijhad bezeemd
hijhad bezeemd
wijhadden bezeemd
julliehadden bezeemd
zijhadden bezeemd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bezemen
jijzult bezemen
hijzal bezemen
wijzullen bezemen
julliezullen bezemen
zijzullen bezemen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bezeemd hebben
jijzult bezeemd hebben
hijzal bezeemd hebben
wijzullen bezeemd hebben
julliezullen bezeemd hebben
zijzullen bezeemd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bezemen
jijzou bezemen
hijzou bezemen
wijzouden bezemen
julliezouden bezemen
zijzouden bezemen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bezeemd hebben
jijzou bezeemd hebben
hijzou bezeemd hebben
wijzouden bezeemd hebben
julliezouden bezeemd hebben
zijzouden bezeemd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbezeem

Verbs similar to 'bezemen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From bezem + -en.

Additional Information