bespeuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bespeuren

The word "bespeuren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bespeuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bespeurend
Past participle - Verleden deelwoord: bespeurd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbespeur
jijbespeurt
hijbespeurt
wijbespeuren
julliebespeuren
zijbespeuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bespeurd
jijhebt bespeurd
hijheeft bespeurd
wijhebben bespeurd
julliehebben bespeurd
zijhebben bespeurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbespeurde
jijbespeurde
hijbespeurde
wijbespeurden
julliebespeurden
zijbespeurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bespeurd
jijhad bespeurd
hijhad bespeurd
wijhadden bespeurd
julliehadden bespeurd
zijhadden bespeurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bespeuren
jijzult bespeuren
hijzal bespeuren
wijzullen bespeuren
julliezullen bespeuren
zijzullen bespeuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bespeurd hebben
jijzult bespeurd hebben
hijzal bespeurd hebben
wijzullen bespeurd hebben
julliezullen bespeurd hebben
zijzullen bespeurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bespeuren
jijzou bespeuren
hijzou bespeuren
wijzouden bespeuren
julliezouden bespeuren
zijzouden bespeuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bespeurd hebben
jijzou bespeurd hebben
hijzou bespeurd hebben
wijzouden bespeurd hebben
julliezouden bespeurd hebben
zijzouden bespeurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbespeur

Translations

  • espy, to catch sight of
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + speuren.

    Additional Information