baggeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of baggeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: baggeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: baggerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebaggerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbagger
jijbaggert
hijbaggert
wijbaggeren
julliebaggeren
zijbaggeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebaggerd
jijhebt gebaggerd
hijheeft gebaggerd
wijhebben gebaggerd
julliehebben gebaggerd
zijhebben gebaggerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbaggerde
jijbaggerde
hijbaggerde
wijbaggerden
julliebaggerden
zijbaggerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebaggerd
jijhad gebaggerd
hijhad gebaggerd
wijhadden gebaggerd
julliehadden gebaggerd
zijhadden gebaggerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal baggeren
jijzult baggeren
hijzal baggeren
wijzullen baggeren
julliezullen baggeren
zijzullen baggeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebaggerd hebben
jijzult gebaggerd hebben
hijzal gebaggerd hebben
wijzullen gebaggerd hebben
julliezullen gebaggerd hebben
zijzullen gebaggerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou baggeren
jijzou baggeren
hijzou baggeren
wijzouden baggeren
julliezouden baggeren
zijzouden baggeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebaggerd hebben
jijzou gebaggerd hebben
hijzou gebaggerd hebben
wijzouden gebaggerd hebben
julliezouden gebaggerd hebben
zijzouden gebaggerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbagger

Translations

  • dredge, to make a channel deeper
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opdreggen
    ploeteren, uitdiepen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch baggeren. Equivalent to bagger + -en.

    Verbs referencing "baggeren"

    German, old spelling baggern.

    Additional Information