asfalteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of asfalteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: asfalteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: asfalterend
Past participle - Verleden deelwoord: geasfalteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikasfalteer
jijasfalteert
hijasfalteert
wijasfalteren
jullieasfalteren
zijasfalteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geasfalteerd
jijhebt geasfalteerd
hijheeft geasfalteerd
wijhebben geasfalteerd
julliehebben geasfalteerd
zijhebben geasfalteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikasfalteerde
jijasfalteerde
hijasfalteerde
wijasfalteerden
jullieasfalteerden
zijasfalteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geasfalteerd
jijhad geasfalteerd
hijhad geasfalteerd
wijhadden geasfalteerd
julliehadden geasfalteerd
zijhadden geasfalteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal asfalteren
jijzult asfalteren
hijzal asfalteren
wijzullen asfalteren
julliezullen asfalteren
zijzullen asfalteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geasfalteerd hebben
jijzult geasfalteerd hebben
hijzal geasfalteerd hebben
wijzullen geasfalteerd hebben
julliezullen geasfalteerd hebben
zijzullen geasfalteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou asfalteren
jijzou asfalteren
hijzou asfalteren
wijzouden asfalteren
julliezouden asfalteren
zijzouden asfalteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geasfalteerd hebben
jijzou geasfalteerd hebben
hijzou geasfalteerd hebben
wijzouden geasfalteerd hebben
julliezouden geasfalteerd hebben
zijzouden geasfalteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijasfalteer

Translations

  • asphalt, to pave with asphalt
  • pave, (North American) to cover with stones, asphalt, etc
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From asfalt + -eren.

    Additional Information