alleenzitten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of alleenzitten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: alleenzitten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: alleenzittend
Past participle - Verleden deelwoord: alleengezeten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzit alleen
jijzit alleen
hijzit alleen
wijzitten alleen
julliezitten alleen
zijzitten alleen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb alleengezeten
jijhebt alleengezeten
hijheeft alleengezeten
wijhebben alleengezeten
julliehebben alleengezeten
zijhebben alleengezeten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzat alleen
jijzat alleen
hijzat alleen
wijzaten alleen
julliezaten alleen
zijzaten alleen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad alleengezeten
jijhad alleengezeten
hijhad alleengezeten
wijhadden alleengezeten
julliehadden alleengezeten
zijhadden alleengezeten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal alleenzitten
jijzult alleenzitten
hijzal alleenzitten
wijzullen alleenzitten
julliezullen alleenzitten
zijzullen alleenzitten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal alleengezeten hebben
jijzult alleengezeten hebben
hijzal alleengezeten hebben
wijzullen alleengezeten hebben
julliezullen alleengezeten hebben
zijzullen alleengezeten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou alleenzitten
jijzou alleenzitten
hijzou alleenzitten
wijzouden alleenzitten
julliezouden alleenzitten
zijzouden alleenzitten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou alleengezeten hebben
jijzou alleengezeten hebben
hijzou alleengezeten hebben
wijzouden alleengezeten hebben
julliezouden alleengezeten hebben
zijzouden alleengezeten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzit alleen

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information