aftroggelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aftroggelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aftroggelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aftroggelend
Past participle - Verleden deelwoord: afgetroggeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktroggel af
jijtroggelt af
hijtroggelt af
wijtroggelen af
jullietroggelen af
zijtroggelen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgetroggeld
jijhebt afgetroggeld
hijheeft afgetroggeld
wijhebben afgetroggeld
julliehebben afgetroggeld
zijhebben afgetroggeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktroggelde af
jijtroggelde af
hijtroggelde af
wijtroggelden af
jullietroggelden af
zijtroggelden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgetroggeld
jijhad afgetroggeld
hijhad afgetroggeld
wijhadden afgetroggeld
julliehadden afgetroggeld
zijhadden afgetroggeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aftroggelen
jijzult aftroggelen
hijzal aftroggelen
wijzullen aftroggelen
julliezullen aftroggelen
zijzullen aftroggelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgetroggeld hebben
jijzult afgetroggeld hebben
hijzal afgetroggeld hebben
wijzullen afgetroggeld hebben
julliezullen afgetroggeld hebben
zijzullen afgetroggeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aftroggelen
jijzou aftroggelen
hijzou aftroggelen
wijzouden aftroggelen
julliezouden aftroggelen
zijzouden aftroggelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgetroggeld hebben
jijzou afgetroggeld hebben
hijzou afgetroggeld hebben
wijzouden afgetroggeld hebben
julliezouden afgetroggeld hebben
zijzouden afgetroggeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtroggel af

Translations

  • bum, to beg for something
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afbietsen
    afdwingen, loskrijgen, ontfutselen

    Sample Sentences

    • "Gij zoudt u nog uw eerstgeboorterecht laten aftroggelen voor een schotel linzen, gij!" ("You would even let yourself be tricked out of your primogeniture for a dish of lentils, you!")

    Etymology

    From af + troggelen, the second part is from Middle Dutch truggelen, troggelen.

    Additional Information