adresseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of adresseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: adresseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: adresserend
Past participle - Verleden deelwoord: geadresseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikadresseer
jijadresseert
hijadresseert
wijadresseren
jullieadresseren
zijadresseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geadresseerd
jijhebt geadresseerd
hijheeft geadresseerd
wijhebben geadresseerd
julliehebben geadresseerd
zijhebben geadresseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikadresseerde
jijadresseerde
hijadresseerde
wijadresseerden
jullieadresseerden
zijadresseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geadresseerd
jijhad geadresseerd
hijhad geadresseerd
wijhadden geadresseerd
julliehadden geadresseerd
zijhadden geadresseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal adresseren
jijzult adresseren
hijzal adresseren
wijzullen adresseren
julliezullen adresseren
zijzullen adresseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geadresseerd hebben
jijzult geadresseerd hebben
hijzal geadresseerd hebben
wijzullen geadresseerd hebben
julliezullen geadresseerd hebben
zijzullen geadresseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou adresseren
jijzou adresseren
hijzou adresseren
wijzouden adresseren
julliezouden adresseren
zijzouden adresseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geadresseerd hebben
jijzou geadresseerd hebben
hijzou geadresseerd hebben
wijzouden geadresseerd hebben
julliezouden geadresseerd hebben
zijzouden geadresseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijadresseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Deze brief is verkeerd geadresseerd. (This letter was wrongly addressed.)

Etymology

Borrowed from Middle French adresser.

Additional Information