aansingelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aansingelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aansingelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aansingelend
Past participle - Verleden deelwoord: aangesingeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksingel aan
jijsingelt aan
hijsingelt aan
wijsingelen aan
julliesingelen aan
zijsingelen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangesingeld
jijhebt aangesingeld
hijheeft aangesingeld
wijhebben aangesingeld
julliehebben aangesingeld
zijhebben aangesingeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksingelde aan
jijsingelde aan
hijsingelde aan
wijsingelden aan
julliesingelden aan
zijsingelden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangesingeld
jijhad aangesingeld
hijhad aangesingeld
wijhadden aangesingeld
julliehadden aangesingeld
zijhadden aangesingeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aansingelen
jijzult aansingelen
hijzal aansingelen
wijzullen aansingelen
julliezullen aansingelen
zijzullen aansingelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangesingeld hebben
jijzult aangesingeld hebben
hijzal aangesingeld hebben
wijzullen aangesingeld hebben
julliezullen aangesingeld hebben
zijzullen aangesingeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aansingelen
jijzou aansingelen
hijzou aansingelen
wijzouden aansingelen
julliezouden aansingelen
zijzouden aansingelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangesingeld hebben
jijzou aangesingeld hebben
hijzou aangesingeld hebben
wijzouden aangesingeld hebben
julliezouden aangesingeld hebben
zijzouden aangesingeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsingel aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information