aanschoffelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanschoffelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanschoffelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanschoffelend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeschoffeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschoffel aan
jijschoffelt aan
hijschoffelt aan
wijschoffelen aan
jullieschoffelen aan
zijschoffelen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangeschoffeld
jijhebt aangeschoffeld
hijheeft aangeschoffeld
wijhebben aangeschoffeld
julliehebben aangeschoffeld
zijhebben aangeschoffeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschoffelde aan
jijschoffelde aan
hijschoffelde aan
wijschoffelden aan
jullieschoffelden aan
zijschoffelden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangeschoffeld
jijhad aangeschoffeld
hijhad aangeschoffeld
wijhadden aangeschoffeld
julliehadden aangeschoffeld
zijhadden aangeschoffeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanschoffelen
jijzult aanschoffelen
hijzal aanschoffelen
wijzullen aanschoffelen
julliezullen aanschoffelen
zijzullen aanschoffelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangeschoffeld hebben
jijzult aangeschoffeld hebben
hijzal aangeschoffeld hebben
wijzullen aangeschoffeld hebben
julliezullen aangeschoffeld hebben
zijzullen aangeschoffeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanschoffelen
jijzou aanschoffelen
hijzou aanschoffelen
wijzouden aanschoffelen
julliezouden aanschoffelen
zijzouden aanschoffelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangeschoffeld hebben
jijzou aangeschoffeld hebben
hijzou aangeschoffeld hebben
wijzouden aangeschoffeld hebben
julliezouden aangeschoffeld hebben
zijzouden aangeschoffeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschoffel aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information