stork – Dutch noun declension

Dutch noun forms of stork

Noun: stork
Gender: Masculine Hyphenation:
Sg.stork
Pl.storken

Sample Sentences

  • 1700, Mosaïze historie der Hebreeuwse kerke, part 2, publ. by Willem & David Goeree, page 461, quoting a saying.
  • Het regtschaapen Haagze Waapen, is een Stork; / Dats een Mikker voor de Kikker en de Work. ((please add an English translation of this quotation))
  • En betjen vèrder, regs af daor, trof ik 'n heele boel van die lankbeenige veugele an; 'et wazzen allerlei vremde soorten van kranen, storken (ooijevaars) en zuk goed; van die storken hadden ze spierwitte en pikzwarte. [1864, J. A. Klokman, “Een Achterhoeksche boerenzoon, die Artis bezoekt”, in Het leeskabinet. Mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, volume 4, 18:]

Etymology

Inherited from Middle Dutch storke, from Old Dutch *stork, from Proto-West Germanic *stork, from Proto-Germanic *sturkaz.

Verbs referencing "stork"

English Nouns stork, German Nouns Storch.

Translations