stapel – Dutch noun declension

Dutch noun forms of stapel

Noun: stapel
Gender: Masculine Hyphenation:
Sg.stapel
Pl.stapels

Sample Sentences

  • Soo lang Wildt swijn berg-top, en visch de vliet / Bemint: oock Bye van Thijm haer aes geniet / En Stapel oock van douw', soo langh sal blijven: / V eer en naem, en loflijck groot beclijven. [1597, Karel van Mander, “Vijfd' Ecloga, oft Boer-liedt”, in Bucolica en Georgica, dat is, Ossen-stal en Landt-werck, page 30:]
  • 1636, Johan de Brune (de Oude), "Emblemata X", Emblemata of Zinne-werck, page 80.
  • De godvruchtighe, zeght erghens een, zijn ghelijck de mieren, die eerst moede, dan blijde zijn: maer de godlooze, gelijck de stapels, of sprinck-hanen, die eerst zinghen, en dan droeve en bekommert zijn. ((please add an English translation of this quotation))

Etymology

From Middle Dutch stapel, from Old Dutch stapal, from Proto-West Germanic *stapul, from Proto-Germanic *stapulaz. Doublet of etappe.

Verbs referencing "stapel"

English Nouns stack, Russian Nouns стапель.

Translations