muur – Dutch noun declension

Dutch noun forms of muur

Noun: muur
Gender: Masculine Hyphenation:
Sg.muur
Pl.muren

Sample Sentences

  • De muur van het huis is pas geschilderd. (The wall of the house has just been painted.)
  • Ze hing een schilderij aan de muur. (She hung a painting on the wall.)
  • De kinderen tekenden op het muurtje in de tuin. (The children drew on the small wall in the garden.)
  • De taal vormt een muur tussen verschillende culturen. (Language forms a wall between different cultures.)
  • Zijn onzekerheid vormt een muur rond hem. (His insecurity forms a wall around him.)

Etymology

From Middle Dutch muur, mure, from Old Dutch *mūr, *mūra, from Latin mūrus. See: Latin Nouns 'mūrus'.

Verbs referencing "muur"

Danish Nouns mur.

Translations