maal – Dutch noun declension

Dutch noun forms of maal

Noun: maal
Gender: Neuter, Feminine Hyphenation:
Sg.maal
Pl.malen

Sample Sentences

  • De kok bereidde een heerlijk maal voor zijn gasten. (The cook prepared a delicious meal for his guests.)
  • Met Kerstavond eet onze familie samen een feestelijk maal. (On Christmas Eve our family eats a festive meal together.)
  • “En wel voornaamelyk waaren de Voorouders gewoon, naa het ophouden, en afleggen van vyandschap, en alle verschillen, hunne verzoening, vereeniging, en vernieuwing van vrindschap te betuigen met het voorbedagtelyk aanregten van een byzonderen Maaltyd, het Maal der Verzoeninge, of Verzoen-maal, en by verkorting Zoen-maal genaamd.” [1732, Cornelis van Alkemade, Pieter van der Schelling, chapter XXV, in Nederlands displegtigheden. Eerste deel:]

Etymology

From Middle Dutch mael, from Old Dutch *māl, from Proto-West Germanic *māl, from Proto-Germanic *mēlą, from Proto-Indo-European *meh₁- (“to measure”). Compare German Mahl, English meal, Danish mål. See: German Nouns 'Mahl', English Nouns 'meal', Danish Nouns 'mål'.

Verbs referencing "maal"

English Nouns meal, English Nouns mail, Old English Nouns mæl, German Nouns Mahl, Irish Nouns míol.

Translations