hors – Dutch noun declension

Dutch noun forms of hors

Noun: hors
Gender: Neuter Hyphenation:
Sg.hors
Pl.horsen

Sample Sentences

  • 1558, Gaathije Pietersz, "Inventaris, gemaeckt den IVᵉⁿ Januarii anno XV^C acht ende vijftich", in Anne Hallema, "Nogmaals een drietal inventarissen van Franeker burgers en boeren kort na 1550", Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, Vol. 49, 1928, 286.
  • Een coopbrief ende quitantie, gepasseert by Fopke Wopkezn. ende Hessel Thomaszn., als mombers tot Jacob Pieterszoons weesen, aen Jan Jacobszn. ende Anne Jans dochter, vanden huijsinge te Syaerda, mit hecken, heckpalen, van noch vijftien koeijen, twee rieren, een os, twee horsen ende andere dieren, alles gecoft ende betaelt voer vier hundert ende anderhalf gouden guldens, sijnde in date den XXIᵉⁿ Novembris anno 1549;
  • Ze stappen hun’ bellen al klinken, / de vrome twee horsen te gaar; [1897, Guido Gezelle, “Twee horsen”, in Rijmsnoer om en om het jaar:]
  • Het hors zet aan, Gossen valt terug op zijn zitplaats. [1942, Cor Bruijn, Een gave van God, Uitgeverij Ploegsma, section 16:]
  • 2009, Henk Gras, ‘Een stad waar men zich koninklijk kan vervelen?’ De modernisering van de theatrale vermakelijkheden buiten de schouwburg in Rotterdam, circa 1770-1860, Uitgeverij Verloren, 218, quoting Scaramouche, Scaramouche en zijne Vrienden op de Rotterdamsche Kermis, 1815, 15 & 16.
  • Een zekere BERG bragt een lomp stuk HOUT voort; dit hout vormde zich tot allerlei gedaantes, en bekwam die eindelijk van Palvenier, nu beklom hij den Bok en achtte zich gelukkig de horsen van anderen voorttezwepen; dan zijne onrustige geaartheid deed hem van den bok tuimelen; ((please add an English translation of this quotation))

Etymology

From Middle Dutch hors, from Old Dutch hors, from Proto-West Germanic *hross, from Proto-Germanic *hrussą. Doublet of ros.

Verbs referencing "hors"

English Nouns horse.

Translations